Ontwikkelingen in allochtonenonderzoek

Haluk Arslan, directeur erc research, over ontwikkelingen in allochtonenonderzoek

Afgelopen twee decennia zijn er talloze onderzoeken gedaan naar vraagstukken met betrekking tot ‘nieuwe Nederlanders’, oftewel categorisch genoemd ‘allochtonen’. Uitgevoerde onderzoeken zijn meestal kwantitatief met dataverzamelingstechnieken van mondelinge interviewinstrumenten. Dankzij deze onderzoeken, grotendeels exploratief van aard, heeft de overheid haar beleid vastgesteld en heeft de academische wereld haar wetenschappelijke vragen beantwoord.

Zoals ik hierboven aangegeven heb, is er grotendeels van onderzoekspraktijken onder allochtonen een mondeling dataverzamelingsinstrument van toepassing. Simpelweg te zeggen: een interviewer komt aan de deur en neemt een vragenlijst af of een onderzoeker brengt een groep mensen bij elkaar en laat hen discussiëren over een bepaald onderwerp.

Sinds de laatste 10 jaar zijn dataverzamelingsinstrumenten in Nederland intensief aan het veranderen dankzij geavanceerde technologische ontwikkelingen. Enkele daarvan zijn CAPI (laptop), CATI (telefonisch), CAWI (internet) en CASI (online); allen middels computer of online. Als gevolg van deze technologische ontwikkelingen zien wij een tweedeling onder de dataverzamelingen conform achtergrondkenmerken van steekproefpersonen. Aan de ene kant worden autochtone respondenten benaderd middels nieuwe technieken zoals CATI, CAWI, CASI. Deze instrumenten zijn efficiënt, tijdig en relatief goedkoop. Echter, als het gaat om steekproefpersonen van allochtone afkomst, worden zij meestal benaderd middels conventionele technieken, met name face-to-face-interviews. Deze zijn relatief duur, duren langer en zijn nadelig qua efficiëntie.

Om de discrepantie tussen de dataverzamelingsinstrumenten onder autochtone en allochtone respondenten te verkleinen, discussiëren onderzoekers om methodische oplossingen te vinden. De MIX-MODE Design is bijvoorbeeld als een mogelijk alternatief genoemd. Een deel van de steekproef waar de achtergrondkenmerken afwijken van die van de gewone autochtone respondenten wordt middels mondelinge benadering benaderd. Dit terwijl de groep respondenten waarvan de achtergrondkenmerken afstemmen met modale autochtone respondenten, benaderd wordt middels nieuwe technieken zoals CATI, CAWI of CASI. Er wordt gezegd dat de samenstelling van allochtone groepen de laatste jaren enorm veranderd is wat betreft achtergrondkenmerken. Om een voorbeeld te geven: de problemen in het interviewen met taalbarrière is verminderd door de opkomst van de tweede en zelfs derde generatie allochtone respondenten. Overigens is er een aanzienlijke groep allochtonen ingeburgerd in de samenleving en zijn ze mondiger geworden. Desondanks zijn de belangrijkste kenmerken die interviewtechnisch bepalend zijn: de taalvaardigheid in het Nederlands, cultuurgerelateerde verschillen en verschillen in acculturatie onder de mensen binnen dezelfde etnische groep.

Onze visie hierover is tweeledig als het gaat om dataverzamelinginstrumenten in allochtonenonderzoek:

De afgelopen 20 jaar heeft de Nederlandse onderzoekswereld antwoorden van vraagstukken over allochtone groeperingen in kaart gebracht. Deze zijn vaak exploratief van aard. Dat betekent dat wij onderzoekers dieper in moeten gaan op deze basisgegevens middels kwalitatieve methoden, zoals open gesprekken of focusgroepen. Een voorbeeld hiervan: wij weten dat bijvoorbeeld Turken meer roken dan alle andere bevolkingsgroepen. Wij weten ook deels het mechanisme van hun rookgedrag daarachter. Maar als het echter gaat om het ontwikkelen van een op deze doelgroep gerichte preventieve aanpak met betrekking tot het stoppen met roken is onze huidige kennis beperkt. Dat betekent dat wij daar meer onderzoeken naar moeten verrichten die kwalitatief van aard zijn.
Ten tweede: de verandering van de bevolkingssamenstelling van allochtone groepen moeten we kritisch analyseren. Uit ervaring blijkt dat de maatschappelijke veranderingen in de groepen, zoals het ontstaan van de tweede en derde generatie, een gunstige ontwikkeling in taalwaardigheid, inburgering en emancipatie zijn. Dit is nog steeds geen fundamentele reden om te switchen naar een totaal nieuwe dataverzamelingstechniek. Wij als onderzoekers willen uiteindelijk de betrouwbare, bruikbare en kwalitatief goede gegevens verzamelen met hoge respons. Uitgegaan van deze kenmerken, kunnen bij een representatief onderzoek onder allochtonen telefonische en schriftelijke dataverzamelingen of webinterviews nog steeds niet worden toegepast. Daarbij spelen de factoren taal, acculturatiegraad en heterogeniteit onder de groepen nog steeds een aanzienlijke rol die communicatief en cultureel bepalend is.

De meertaligheid is voor het veldwerk noodzakelijk. Het is alom bekend dat niet alle allochtone respondenten de Nederlandse taal voldoende beheersen. Wat betreft het uitvoeren van kwantitatieve onderzoeken is de voertaal nog steeds een belangrijk criterium voor een groot deel van de allochtone steekproeven waar vooral Turkse en Marokkaanse volwassenen en mensen van de eerste generatie bij worden betrokken. De meest geschikte methode is de face-to-face-benadering. Dit wordt uitgevoerd door enquêteurs/-trices die toegang kunnen vinden tot een aanzienlijk deel van allochtone groeperingen.
Uit ervaring wil ik vertellen over een onderzoek dat wij hebben uitgevoerd. Een van onze opdrachtgevers heeft ons destijds benaderd met een probleem: een deel van de steekproefpersonen in het onderzoek kon niet geïnterviewd worden, omdat er een taalprobleem bestond. Deze steekproefgroep bestond uit de eerste generatie Turken en Marokkanen. De opdrachtgever wilde deze groep mensen ook in het onderzoek betrekken. Dit vanwege het feit dat naar verwachting de uitkomsten van de anderstaligen afweken van de algemene onderzoekspopulatie. Om deze redenen werd aan Turken of Marokkanen van de eerste generatie bij wie het niet mogelijk was een interview af te nemen vanwege de taalbarrière de mogelijkheid geboden om het interview in hun eigen taal te voeren.
Dankzij onze inzet met onze specifieke knowhow, hebben wij middels de CAPI-methode 70 procent van deze moeilijke groepen geïnterviewd. De afgenomen gesprekken waren bruikbaar, betrouwbaar en volledig.

Tot slot: wat betreft het afnemen van interviews onder allochtonen is de taalvaardigheid nog steeds een belangrijk criterium, met name voor 40-plussers. Deze groep vormt nog steeds meer dan de helft van de allochtonen in Nederland. Vandaar dat de interviews onder allochtonen naast de Nederlandse taal ook in de taal van de respondent kunnen worden uitgevoerd.